Veel voorkomende zadelproblemen

Problemen de ik als zadelpasser in de praktijk veel tegen kom

Mijn zadel zakt naar één kant hoe kan dat?

Een zadel dat structureel naar één kant zakt is een probleem dat we in de praktijk zeer vaak tegenkomen. De oorzaak is vrijwel nooit slechts het zadel zelf, maar meestal een combinatie van factoren bij zowel paard als ruiter.

De eerste stap is altijd het beoordelen van de conformatie en het bewegingspatroon van het paard.
Staat het paard correct en gelijkmatig op zijn voeten?
Zijn de schouders symmetrisch ontwikkeld?
Hoe beweegt de ribbenkast tijdens het lopen?
En hoe functioneert het bekken?

Elk paard heeft van nature een voorkeurskant. Dit is meestal zichtbaar in de bespiering van de schouders en de manier waarop het paard zich draagt. Het paard is aan één zijde vaak sterker en aan de andere zijde stijver. Hierdoor ontstaat er een ongelijkmatige belasting onder het zadel, wat kan leiden tot scheefzakken.

Daarom is rechtgerichtheid essentieel. Door middel van goed grondwerk en correct rijden leert het paard zijn lichaam gelijkmatig te gebruiken. Pas wanneer het paard zich symmetrisch gaat bewegen en de bovenlijn correct ontwikkelt, kan een zadel stabiel blijven liggen.

Ook de ruiter speelt hierin een belangrijke rol. Een scheve zit, ongelijke drukverdeling of onbewuste compensatie versterkt het probleem. Alleen wanneer de ruiter zich bewust is van de biomechanica van het paardenlichaam, kan het paard op een gezonde manier worden getraind.

Kortom:
Een zadel dat naar één kant zakt is meestal een signaal. Het wijst op asymmetrie in het paard, de ruiter, of beide. Daarom kijken wij altijd naar het totaalplaatje: het paard in stand, in beweging, onder het zadel én de ruiter zelf.

Mijn paard is gevoelig in het lendengebied

Gevoeligheid in het lendengebied komt zeer vaak voor bij paarden met een onvoldoende ontwikkelde bovenlijn of een duidelijke dip in de rug. In deze situatie mist het paard de spierkracht om de rug correct te dragen, waardoor het bekken naar voren kantelt.

Een naar voren gekanteld bekken verstoort de hele biomechanische keten:

  • De achterhand kan minder goed ondertreden
  • De rug zakt weg
  • De lendenen komen onder verhoogde spanning
  • De druk onder het zadel neemt toe

Het lendengebied is daardoor vaak pijnlijk of gevoelig bij poetsen, aanraken of aansingelen.

In deze houding kan een zadel nooit stabiel en comfortabel liggen, zelfs niet als het technisch correct is aangemeten. Het paard kan zijn rug niet omhoog brengen om het gewicht van de ruiter te dragen, waardoor druk zich ophoopt in de lendenstreek.

De oplossing ligt niet alleen in zadelpassing, maar vooral in correcte training. De ruiter moet het paard leren:

  • De achterhand actiever te gebruiken
  • De romp te dragen
  • De bovenlijn te ontwikkelen
  • De rug op te bollen onder het zadel

Pas wanneer het paard biomechanisch correct wordt gereden en zijn bovenlijn zich herstelt, kan het lendengebied ontlast worden en kan een zadel weer duurzaam goed liggen.

Hoe vaak moet een zadel gecontroleerd worden?

Gemiddeld elke 6 tot 12 maanden.
Bij jonge paarden, paarden in training of paarden die van bespiering veranderen zelfs vaker. Ook na blessures, een trainingsverandering of een langere rustperiode is een controle sterk aan te raden.

Past een zadel op meerdere paarden?

Bijna nooit echt goed. Elk paard heeft een unieke rugvorm, schouderligging en bespiering. Een zadel kan op meerdere paarden “redelijk” liggen, maar zelden optimaal.

Kan een zadel ineens niet meer passen?

Ja. Spieropbouw, gewichtsverandering, leeftijd en training beïnvloeden de rug. Zelfs een perfect passend zadel kan na een paar maanden te krap, te wijd of instabiel worden.

Mijn paard loopt scheef of valt steeds over één schouder

Wanneer een paard consequent naar één kant valt of scheef loopt, wordt dit vaak veroorzaakt door een combinatie van zadeltechnische én rijtechnische factoren.

Veelvoorkomende oorzaken zijn:

Zadelgerelateerd

  • Een scheef zadel
  • Ongelijke of ingezakte vulling
  • Een zadel dat naar één kant schuift
  • Een onjuiste balans (voor- of achterover)

Paardgerelateerd

  • Natuurlijke scheefheid (voorkeurskant)
  • Ongelijk ontwikkelde schouders en rugspieren
  • Beperkte beweeglijkheid in ribbenkast of bekken

Ruitergerelateerd

  • Een scheve of instabiele zit
  • Meer gewicht op één zitbeen
  • Ongelijke teugelvoering
  • Het paard naar één kant “drijven” of vasthouden
  • Compensatie voor het wegvallen van het paard

Wanneer een zadel niet correct ligt of de ruiter ongelijkmatig zit, zal het paard zijn lichaam aanpassen om de druk te vermijden. Dat uit zich in het wegvallen over één schouder, het scheef lopen of het niet correct ondertreden van één achterbeen.

Het paard kiest dan altijd de weg van de minste weerstand biomechanisch logisch, maar op termijn schadelijk voor de bespiering en gewrichten.

Daarom kijken wij bij een zadelcontrole niet alleen naar het zadel, maar altijd naar:

De symmetrie en beweging van het paard

De ligging en balans van het zadel

De houding, zit en invloed van de ruiter

Pas wanneer deze drie in harmonie zijn, kan een paard rechtgericht bewegen en kan een zadel stabiel en comfortabel blijven liggen.

De haren van mijn paard breken af aan de achterzijde van het dekje

Afbrekende haren ter hoogte van de achterrand van het dekje worden vaak gezien in de rui- en winterperiode, wanneer de vacht langer en kwetsbaarder is. Toch is dit vrijwel nooit alleen een probleem van de vacht of het dekje. In de meeste gevallen is het een teken van verkeerde beweging en belasting van de rug.

Wanneer een paard zijn rug niet correct gebruikt  bijvoorbeeld doordat hij onvoldoende over de achterhand draagt, de bovenlijn niet activeert of in een holle houding loopt, ontstaat er extra beweging en spanning onder het zadel. Het zadel en dekje gaan dan richting de lendenpartij meer schuiven en “werken” op de vacht.

Deze microbeweging veroorzaakt wrijving precies aan de achterzijde van het dekje, waar de rug het meeste op en neer beweegt. In de winter, wanneer de haren brozer zijn, breken ze daar als eerste af.

Vaak zien we dit bij paarden die:

  • Nog niet voldoende over de achterhand worden gereden
  • De rug wegdrukken in plaats van dragen
  • Met een voorover gekanteld bekken lopen
  • De bovenlijn onvoldoende hebben ontwikkeld

Met andere woorden: het paard draagt de ruiter niet via een stabiele, actieve rug, maar vangt het gewicht op via spanning en compensatie.

Daarom is het essentieel om niet alleen het dekje of het zadel te beoordelen, maar vooral hoe het paard biomechanisch wordt gereden. Pas wanneer het paard de achterhand onderbrengt en de rug correct omhoog brengt, verdwijnt de overmatige beweging onder het zadel, en daarmee ook het afbreken van de haren.

Mijn paard staat voortdurend op rust en heeft moeite om op vier benen te blijven staan

Wanneer een paard tijdens het stilstaan continu één been ontlast (op rust staat) en zichtbaar moeite heeft om langere tijd op alle vier de benen te blijven staan, is dat vrijwel altijd een teken van ongemak of overbelasting.

In de context van zadelpassen zien we dit vooral bij:

  • Overbelasting van de rug
  • Spanning in de lendenen
  • Beperkingen in het bekken of het SI-gewricht
  • Ongelijke drukverdeling door het zadel

Een paard dat zijn rug niet comfortabel kan gebruiken, zal zijn gewicht steeds verplaatsen om druk te vermijden. Dit uit zich in het voortdurend wisselen van stand, het wegdrukken van de rug en het ontlasten van een achter- of voorbeen.

Vaak zien we dit bij paarden met:

Een zwakke of ingezakte bovenlijn

Een niet optimaal passend zadel

Spiervermoeidheid door verkeerde training

Asymmetrie in lichaam of ruiter

Hoewel dit gedrag soms onschuldig lijkt, is het biomechanisch gezien een duidelijk waarschuwingssignaal dat het paard zijn lichaam niet pijnvrij kan dragen.

Wanneer een paard dit gedrag vertoont, is het belangrijk om niet alleen naar het zadel te kijken, maar ook een dierenarts, fysiotherapeut of osteopaat in te schakelen. Alleen wanneer eventuele pijn, blokkades of spierproblemen zijn uitgesloten of behandeld, kan een zadelcorrectie en training werkelijk effectief zijn.

Daarom beoordelen wij bij een zadelcontrole altijd het totaalplaatje:
het paard in stand, in beweging, onder het zadel én de ruiter. Alleen zo kan de oorzaak van de overbelasting duurzaam worden opgelost.

Mijn zadel schuift naar voren

Een zadel dat tijdens het rijden steeds verder naar voren schuift, is een probleem dat we in de praktijk zeer vaak zien. Het zadel wordt netjes achter de schouder opgelegd, maar ligt na enkele minuten rijden alweer tegen of zelfs op de schouder.

Hoewel dit vaak als een “zadelprobleem” wordt gezien, is het in werkelijkheid vrijwel altijd het gevolg van een combinatie van lichaamsbouw, beweging en rijtechniek.

Wat gebeurt er biomechanisch?

Een zadel zal altijd naar het diepste punt van de bovenlijn zakken.
Bij een paard dat:

  • op de voorhand loopt
  • de achterhand niet onderbrengt
  • de rug wegdrukt
  • en het bekken naar voren kantelt

ligt dat diepste punt niet in het midden van de rug, maar achter de schouder. Het zadel wordt daar naartoe getrokken, letterlijk door de zwaartekracht en door de beweging van het paard.

Wanneer een paard zich voortstuwt in plaats van draagt, duwt de romp het zadel richting de schouders.

Factoren die het naar voren schuiven versterken

1. Bouw van het paard

Sommige paarden hebben van nature weinig “stop” achter de schouder:

  • Zeer brede paarden met weinig schoft
  • Ronde ribbenkast
  • Vlakke bovenlijn
  • Friezen, Haflingers, Fjorden, Welsh-types

Bij deze paarden kan het zadel makkelijker naar voren glijden als de rug niet actief draagt. 

2. Peervormige paarden

Paarden met een brede ribbenkast en een smallere schouderpartij hebben een natuurlijke neiging om zadels naar voren te laten schuiven.

3. Rug- en lendengebruik

Paarden met een strakke, holle of stijve rug en een niet goed ontwikkelde bovenlijn duwen het zadel bij elke pas naar voren.

4. Buik en singelpositie

Een ronde buik of een singelgroeve die ver naar voren ligt, trekt de singel, en dus het zadel richting de schouder.
Anatomische singels of een voorste singelstoot kunnen dit deels corrigeren, maar lossen het bewegingsprobleem niet op.

5. Te lang zadel

Wanneer de kussens voorbij de 18e rib komen en op de lendenen liggen, duwt het bewegende achterste deel van de rug het zadel naar voren.

6. Te smal zadel

Een te smal zadel ligt hoog aan de voorkant en wordt gemakkelijk door de ruiter en door de beweging van het paard naar voren gedrukt.

7. Ruiter en rijtechniek

Dit is een cruciale factor.

Wanneer een ruiter:

  • met de zit duwt in plaats van draagt
  • achter de beweging zit
  • te veel gewicht achter in het zadel brengt

dan verschuift het zwaartepunt naar achteren. Hierdoor wordt het zadel als het ware naar voren “geheveld”.

In combinatie met een paard dat al op de voorhand loopt, versterkt dit het probleem aanzienlijk.

Waarom een hulpmiddel alleen zelden de oplossing is

In sommige gevallen kan een andere singel of singelstoot helpen, maar als het paard:

  • zijn achterhand niet draagt
  • de rug niet omhoog brengt
  • en biomechanisch verkeerd wordt gereden

zal geen enkel hulpmiddel het zadel structureel op zijn plaats houden.

 

De echte oplossing

Een zadel dat naar voren schuift vraagt altijd om een totaalaanpak:

Lichaamsbeoordeling (fysiotherapeut, osteopaat of dierenarts indien nodig)

Correcte zadelpassing

Biomechanisch juiste training
Achterhand onder, romp omhoog,  bovenlijn dragen

Pas wanneer het paard leert zichzelf te dragen in plaats van te duwen, verdwijnt het probleem bij de bron.

 

 

Het Bovenlijnsyndroom bij paarden

Het bovenlijnsyndroom is een verzamelterm voor een toestand waarbij het paard zijn dragende spieren van de bovenlijn onvoldoende gebruikt of heeft verloren. De bovenlijn bestaat uit de spieren van de hals, rug, lendenen en achterhand die samen verantwoordelijk zijn voor het dragen van het ruitergewicht en het correct bewegen van de wervelkolom.

Wanneer deze spieren niet goed functioneren, kan het paard zijn lichaam niet meer biomechanisch correct gebruiken.

Hoe ontstaat het bovenlijnsyndroom?

  • Het bovenlijnsyndroom ontstaat meestal door een combinatie van:
  • Onjuiste of eenzijdige training
  • Te weinig activatie van de achterhand
  • Te lange periodes van verkeerde houding (holle rug, wegdrukken)
  • Slecht passend zadel
  • Pijn of blokkades in het bewegingsapparaat

Het paard leert zichzelf verkeerd te gebruiken, waardoor de dragende spieren afnemen en compenserende spieren overbelast raken.

Hoe herken je een paard met bovenlijnsyndroom?

Typische kenmerken zijn:

  • Een ingezakte of holle rug
  • Een zichtbare “dip” achter de schoft
  • Slecht ontwikkelde of harde rugspieren
  • Gevoeligheid bij poetsen of aanraken
  • Problemen met aanspringen, nageeflijkheid of balans
  • Een naar voren gekanteld bekken
  • Regelmatig op rust staan of moeite met stilstaan

Wat gebeurt er biomechanisch?

Een paard met een zwakke bovenlijn kan zijn romp niet meer dragen. Het bekken kantelt naar voren, de achterhand treedt minder onder en de rug zakt weg. Hierdoor komt er meer druk op:

  • De lendenen
  • Het SI-gewricht
  • De schouders
  • Het zadelgebied

Het paard vangt het ruitergewicht op via spanning in plaats van via dragende spierkracht.

Waarom is dit zo belangrijk voor zadelpassing?

Een paard met bovenlijnsyndroom verandert continu van vorm. De rug is instabiel, zakt weg onder belasting en reageert sterk op druk. Daardoor kan zelfs een goed passend zadel:

  1. gaan schuiven
  2. drukpunten veroorzaken
  3. ongelijk gaan liggen
  4. of pijnreacties uitlokken
  5. Zonder herstel van de bovenlijn is duurzame zadelpassing onmogelijk.

Wat is de oplossing?

De aanpak moet altijd bestaan uit drie onderdelen:

Lichamelijke behandeling (dierenarts, fysiotherapeut, osteopaat)

Correcte zadelpassing

Biomechanisch juiste training

Pas wanneer het paard weer leert om de achterhand te gebruiken en de rug te dragen, kan de bovenlijn zich herstellen en kan het zadel weer stabiel en comfortabel liggen.

 

Indien je hier meer over wil weten kan ik je van harte aanbevelen om eens een kijkje te nemen op de website van Karin Leibbrandt: https://www.karinleibbrandt.com/

“Mijn paard reageert bij het aansingelen, maar dat doet hij altijd hij heeft er gewoon geen zin in.”

Dit is een uitspraak die we in de praktijk zeer vaak horen. Toch is het belangrijk om te weten dat een reactie bij het aansingelen vrijwel nooit “gewoon gedrag” zijn. In vrijwel alle gevallen is het een uiting van ongemak of pijn.

Wanneer een paard bij het aansingelen:

  • de buik aanspant
  • wegdraait
  • met de staart slaat
  • oren platlegt
  • dreigt te bijten
  • of onrustig wordt

dan probeert hij duidelijk te maken dat het gebied rond de borstkas, buik, ribben of rug gevoelig is.

Deze gevoeligheid kan veroorzaakt worden door:

  • Spanning of pijn in de borst- en buikspieren
  • Beperkingen in ribbenkast of wervelkolom
  • Druk of knelling door het zadel
  • Een verkeerd singeltype of singelpositie
  • Problemen in de bovenlijn of het bekken

Omdat de singel direct invloed heeft op de hele rompopbouw, zal een paard met rug-, rib- of bekkenproblemen hier vrijwel altijd op reageren.

Dat een paard dit “altijd” doet, betekent niet dat het normaal is het betekent dat het probleem al langere tijd aanwezig is.

Wanneer een paard reactie geeft bij het aansingel is het belangrijk om:

  • Het zadel en de singel te laten controleren
  • De rug, ribben en buikspieren te laten beoordelen door een dierenarts, fysiotherapeut of osteopaat
  • De maag te laten controleren op maagzweren door een dierenarts

Pas wanneer het paard zich lichamelijk comfortabel kan bewegen, zullen aansingel problemen verdwijnen. Training en gedrag zijn hier zelden de primaire oorzaak het lichaam is dat bijna altijd wel.

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.